Inspiratieportret 8 — Abraham Joshua Heschel

Henri Bontenbal
5 min readJul 26, 2023

Wie is de mens? Het antwoord op deze vraag bepaalt hoe een politieke beweging naar de mens en naar de samenleving kijkt, en welk overheidsbeleid zij voorstelt. Wat mag je van mensen verwachten en wat mogen zij van elkaar verwachten? Welke rechten en plichten hebben burgers? Is de vrijheid van de individuele burger in een samenleving het hoogste goed dat beschermd moet worden? En waaruit bestaat die vrijheid dan precies? Onbeperkte vrijheid van meningsuiting? Onbeperkte keuzevrijheid?

De filosofie van de christendemocratie spreekt meestal met twee woorden over de mens. Want met rechten komen ook plichten en met vrijheid komt verantwoordelijkheid. Deze woordparen kunnen niet zonder elkaar, ze veronderstellen elkaar. Je kunt immers als mens niet verantwoordelijk worden gehouden als je niet ook een bepaalde vrijheid hebt. En vrijheid zonder een moreel kader is willekeurig en zonder inhoud.

Is het mooiste dat we over de mens kunnen zeggen niet dat de mens een persoon is die verantwoordelijkheid draagt? De Joodse filosoof Abraham Joshua Heschel (1907–1972) heeft daarover een indrukwekkende tekst geschreven. Wie is Heschel? Hij stamt uit een familie van rabbijnen en studeert filosofie in Berlijn. Hij volgt in 1937 Martin Buber op als directeur van het Joodse leerhuis in Frankfurt, wordt opgepakt door de Gestapo en uitgewezen naar Polen. Net voor de Duitse inval in Polen vlucht hij naar Londen en vestigt zich vervolgens in New York. Daar wordt hij hoogleraar joodse ethiek en mystiek aan het Jewish Theological Seminary.

In zijn boek ‘Wie is de mens?’ probeert Heschel de vraag wat de mens menselijk maakt te beantwoorden. Als de mens zichzelf onder de loep neemt, dan kan hij dat niet objectief doen, zoals het analyseren van een celdeling door de lenzen van de microscoop. De mens interpreteert zichzelf en dat kan hij niet waardenvrij doen. Kenmerkend voor de mens, aldus Heschel, is dat er in hem een spanning zit tussen wie de mens is en wat de mens zou moeten zijn. Mens zijn is niet alleen een zijn, maar ook een opdracht, een opdracht om menselijk te zijn. De mens behoort enerzijds tot de natuur en wordt door dierlijke impulsen en driften bewogen. Tegelijkertijd is de mens een vraag:

“Wij vragen: wat is de mens? Maar de echte vraag behoort te luiden: wie is de mens? Als ding is de mens verklaarbaar; als persoon is hij zowel een mysterie als een verrassing. Als ding is hij eindig; als persoon is hij onuitputtelijk.”

Mens zijn betekent menselijk zijn, zo benadrukt Heschel steeds weer. Het verschil tussen een mens en een ding is dat de mens een persoon is. Een persoon kun je ontmoeten, een ding niet. “Menselijk zijn betekent op weg zijn, streven, wachten, hopen.” Er staat hier iets van het grootste belang op het spel, schrijft hij:

“Een van de meest schrikaanjagende vooruitzichten, die wij onder het oog moeten zien, is dat onze aarde bevolkt zou kunnen gaan worden door een ras van wezens, die hoewel biologisch behorend tot het ras van homo sapiens, verstoken zullen zijn van de eigenschappen, waardoor de mens zich geestelijk onderscheidt van de overige schepselen. Om mens te zijn moeten wij weten wat menselijk zijn inhoudt, hoe het te verwerven, hoe het te bewaren.”

De mens is gericht op gemeenschap, op saamhorigheid. Hij kan alleen vervulling en zin ervaren samen met andere mensen. De mens heeft nooit genoeg aan zichzelf alleen. Maar bovenal is de mens op zoek naar zin, want alleen maar zijn is hem niet genoeg. “Voor mij is het niet genoeg om vragen te stellen; ik wil weten hoe de enige vraag te beantwoorden die alles lijkt te omvatten, wat zich aan mij voordoet: waarom ben ik hier?” Het openstaan voor het transcendente — dat wat ons overstijgt, wat voorbij onze beperkte, menselijke horizon ligt — kenmerkt de mens. “Het geheim van menselijk zijn is van harte verlangen naar zin. De mens is niet zijn eigen zin en als de kern van menselijk zijn bestaat uit een sterke betrokkenheid op transcendente zin, dan is het geheim van de mens zijn openheid voor het transcendente.”

De zin is verbonden met ‘geroepen zijn om antwoord te geven’. “Betekenisvol leven is een poging om zich aan te passen aan hetgeen wordt verwacht en gevorderd van een menselijk wezen.” De mens is een verantwoordelijk wezen, omdat hij in staat is uit te stijgen boven het bevredigen van de eigen behoeften en begeerten, en te antwoorden op hetgeen hem gevraagd wordt en zo boven zichzelf uit te stijgen.

“Naast het kabaal van de begeerten is er een roepen, een verlangen, een wachten, een verwachting. Er is een vraag die mij achtervolgt, waar ik ook heenga. Wat wordt er van mij verwacht? Wat wordt er van mij verlangd? (…) Dit is de gewichtigste ervaring in het leven van elk menselijk wezen: er wordt iets van mij gevraagd. Elk menselijk wezen heeft een ogenblik gehad waarin hij een mysterieus wachten op hem gewaar werd. Zin wordt gevonden in het ingaan op het verlangen, zin wordt gevonden in het gewaar worden van het verlangen.”

Heschel verbindt deze zin aan de relatie tussen de mens en God. God zoekt de mens (de titel van zijn hoofdwerk en de kern van zijn filosofie van het jodendom) en het zoeken van de mens naar zin en een betekenisvol leven is daarvan een gevolg. “Het verlangen van de mens naar zin is niet een vraag, een opwelling, maar een antwoord, het ingaan op een uitdaging.” Het startpunt is dus niet ‘ik denk, dus ik ben’ (Descartes), maar ‘ik heb een opdracht, daarom ben ik’:

“Ondanks onze hoogmoed, ondanks onze inhaligheid worden wij voortgestuwd door een besef dat iets van ons gevraagd wordt; dat ons gevraagd wordt om ons te verbazen, te vereren, te denken en te leven op een wijze die verenigbaar is met de grootsheid en het mysterie van het leven. (…) In zijn uitgedaagd worden ontdekt hij zichzelf als een menselijk wezen. Besta ik als menselijk wezen? Mijn antwoord luidt: ik heb een opdracht, daarom ben ik. Er is een ingebouwd gevoel van schuldplichtigheid in het bewustzijn van de mens, een besef van verschuldigde dankbaarheid, van op bepaalde ogenblikken opgeroepen te worden om iets terug te doen, te antwoorden, te leven op een wijze die in harmonie is met de grootsheid en het mysterie van het leven.”

Het is deze visie op de mens die in het joods-christelijke denken verankerd ligt en ook aan de basis ligt van de filosofie van de christendemocratie. De eerste vraag die de mens gesteld wordt, is: mens, waar ben je? En vervolgens: waar is je broeder? De mens is een verantwoordelijk wezen. Als we dat vergeten, raken we alles kwijt. Dat is de boodschap van Abraham Joshua Heschel.

--

--